Het “Lokaas-smaldeel”

Het “Lokaas-smaldeel”

Deze website is gewijd aan een van de grootste zeerampen uit de wereldgeschiedenis en aan de nagedachtenis van de 1459 Britse marinemensen die daarbij omkwamen.  Deze gebeurtenis vond plaats voor onze Nederlandse kust bij Scheveningen, op 22 september 1914 op de Noordzee, toen de Eerste Wereldoorlog precies zeven weken gaande was.

Op die dag werden drie grote overjarige Britse marineschepen –de kruisers HMS Cressy, Hogue en Aboukir- met enkele gerichte schoten tot zinken gebracht. Acht torpedo’s, heimelijk afgevuurd vanaf een onopgemerkt gebleven Duitse onderzeeboot, waren genoeg om de drie schepen, waarvan de bemanningen volstrekt niet op zo’n aanval waren voorbereid, naar de kelder te jagen. Er vielen hierbij bijna evenveel slachtoffers als bij die andere grote zeeramp, toen de Titanic een ijsberg raakte, een paar jaar eerder.

Deze catastrofe op de Noordzee heeft nooit zoveel aandacht gekregen als de ondergang van de betoverende “onzinkbare” luxe lijnboot.

Nog wekenlang na de ramp bleven stoffelijke overschotten van Britse zeelieden aanspoelen op de Nederlandse kust. Enkele tientallen van hen zijn begraven op begraafplaatsen in Zuid-Holland en Zeeland. Van de gezamenlijke bemanning van 2296 koppen overleefden er uiteindelijk 837, van wie velen hun leven dankten aan het ingrijpen van twee kleine Nederlandse koopvaardijschepen, van wie de bemanning erin slaagde meer dan vierhonderd drenkelingen uit het zeewater op te pikken.

De wrakken van de drie ongelukkige kruisers liggen nog altijd als evenzovele zeemans-massagraven op de zeebodem.

 * 

Het verhaal in een notendop

We schrijven half september 1914, zeven weken nadat het Verenigd Koninkrijk aan het Duitse keizerrijk de oorlog had verklaard in reactie op de neutraliteitsschending van België. Natuurlijk had nog bijna niemand een idee van de enorme omvang die deze jonge oorlog uiteindelijk zou krijgen en al helemaal niet van de onvoorstelbare aantallen doden en gewonden die hij zou eisen.

Gevolg gevend aan hun mobilisatiebevelen waren alle Britse marine reservisten begin augustus in actieve dienst teruggekeerd. Vanaf dat moment was de gehele machtige Britse marinevloot op volle oorlogssterkte. Reservisten werden hoofdzakelijk tewerk gesteld op oude oorlogsschepen van wie de meeste jarenlang in de mottenballen hadden liggen dobberen op kalme binnenwateren. Dat gold ook voor de kruisers die de trieste hoofdrol in dit verhaal zouden gaan spelen; deze schepen waren kort ervoor losgemaakt van hun meerpalen in de rivier de Medway, die uitmondt in de benedenstroom van de Thames. Nadat de bejaarde schepen hun nieuwe bemanningen van oude zeerobben en piepjonge kadetten aan boord hadden gekregen, ondergingen ze eerst nog een stevige schoonmaakbeurt voordat ze op weg gingen om hun patrouilletaak op de Noordzee te gaan uitvoeren.  Het waren HMS Cressy, Hogue en Aboukir. Overjarige en onhandelbare schepen waren het, slecht bewapend en onvoldoende bepantserd.
Die oude kruisers uit de klasse van de Bacchantes  [waterverplaatsing 12.000 ton * lengte over alles 144 m * breedte 21,2 m * diepgang 7,9 m * uitgerust met vier stoomturbines * 21.000 pk * snelheid 21 knopen* bemanning 760] werden volkomen ongeschikt geacht voor de moderne oorlogvoering ter zee. Daarom werden ze aangeduid met ze de nogal wrange maar niet minder treffende bijnaam “het lokaas-smaldeel”, eerst vanuit de Britse marine zelf en later, na de ramp, ook door de rest van de bevolking. Samen met andere zusterschepen werden deze drie kruisers toegevoegd aan een patrouille-eenheid van de Britse Noordzeevloot waarmee ze samen het 7e Kruisersmaldeel van de Zuidelijke Zeemacht gingen vormen. Hun thuishaven was Harwich in het deltagebied van de Thames, in de buurt van de rivier de Medway. En dat was ook het gebied waar het grootste deel van de duizenden bemanningsleden vandaan kwam.

 

De voornaamste taak van het 7e Kruisersmaldeel tijdens die eerste oorlogsweken was over de Noordzee te patrouilleren tussen de Engelse en de Nederlandse kust, in het gebied bekend als de Breeveertien, vanwege de gemiddelde ondiepte daar van veertien vadem. Duitse oorlogsschepen  die mogelijk op weg waren naar het Nauw van Calais en het Kanaal moesten door de kruisers van het 7e worden onderschept, om de veilige overtocht te verzekeren van het Britse Expeditieleger (BEF)  dat in die dagen met veerboten werd overgezet naar het Europese continent om met grote spoed te worden overgebracht naar het gebied bij de Frans-Belgische grens, om te proberen de Duitse troepen in hun opmars daar te stuiten.

*

Het weer was onstuimig boven de Noordzee die derde week van september 1914.  Er stond zo’n storm dat de snelle en wendbare torpedobootjagers die tot taak hadden de oude kruisers te begeleiden en te beschermen, niet langer buitengaats konden blijven en gedwongen waren de thuishaven op te zoeken, in afwachting van beter weer. Intussen zetten HMS Cressy, Hogue en Aboukir hun patrouilletaak wel voort, zij het dus zonder de nodige bescherming, wat extra navrant was nu zij zo geweldig opvielen met hun vier grote rokende schoorstenen.

In de vroege ochtend van dinsdag 22 september 1914 was het weer eindelijk opgeklaard. Het was onbewolkt, de wind was gaan liggen en ook de zee was een stuk kalmer geworden. Later zou pijnlijk duidelijk worden dat de mannen aan boord van de drie kruisers niet de enigen waren geweest die van deze aanblik hadden genoten. De bemanning van een Duitse onderzeeboot had ’s nachts ook beschutting gezocht tegen de ruwe zee, weggestopt schuilend op de zeebodem. Toen zij ’s morgens vroeg naar boven kwamen om frisse lucht in te nemen merkten ook zij tot hun aangename verrassing dat de storm was geluwd.

Maar de duikbootkapitein, Otto Weddigen, meende ook nog iets anders waar te nemen, een vlekje op de horizon in het ijle ochtendlicht. Om zekerheid te krijgen speurde hij de horizon af door de periscoop. En jawel, hij zag een groot schip met vier rokende schoorstenen, dat in zijn richting voer en dus steeds groter werd. De Aboukir – vijand in zicht! En toen ontwaarde hij nog twee identieke schepen die ook naderbij voeren: Hogue en Cressy.

Het smaldeel van torpedobootjagers dat deel uitmaakte van dezelfde eenheid, en dat de kruisers moest escorteren om deze te beschermen, had nog niet weer bij de kruisers kunnen terugkomen nadat de storm was gaan liggen.

Zodoende kreeg de U9 haar drie nietsvermoedende en onbeschermde doelen op een presenteerblaadje aangereikt. Het was een koud kunstje de kruisers van onder water aan te vallen. De eerste torpedo werd op de argeloze Aboukir afgevuurd. En toen dit doelwit getroffen en geëxplodeerd was en hulpeloos ronddrijvend slagzij maakte, wendde de U9 en richtte zij haar lanceerbuizen op de beide zusterschepen van wie de bemanningen juist uit alle macht bezig waren drenkelingen van de Aboukir uit het water op te pikken. De meesten aan boord van het getorpedeerde schip hadden overigens geen schijn van kans gehad toen het werd geraakt en ontplofte. Zij gingen met de brandende en zinkende kruiser ten onder.

De drie kruisers gingen een voor een naar de kelder en namen 1459 man mee het zeemansgraf in.

Officieren en bemanningen van de drie schepen waren volkomen overdonderd. Er was geen enkel vijandig schip waargenomen en er hadden geen vijandelijkheden plaatsgevonden. In weerwil van de instructies die aan hen waren verstrekt om het onderzeebootgevaar te onderkennen en te beperken, was dit verschijnsel nog te onbekend om echt in de geesten van de officieren door te dringen. Ze hadden de voorgeschreven veiligheidsmaatregelen laten verslappen, zoals voortdurend varen op maximumsnelheid en het steeds aanhouden van een zigzagkoers.

Na en vanwege deze rampzalige gebeurtenis waren de doelmatigheid en het gevaar van het onderzeebootwapen algemeen erkende begrippen. Ook binnen de Duitse militaire gelederen vielen degenen die scepsis tegen dit middel hadden geuit helemaal stil en de Britse marine zou de dreiging ervan nooit meer onderschatten. In de latere jaren van deze oorlog, in het bijzonder tijdens de onbeperkte duikbootcampagne die Duitsland op de Atlantische oceaan was begonnen, zouden er nog eens 15.000 zeelui het dodelijk slachtoffer worden van aanvallen met torpedo’s. Alleen al in dit eerste grote incident met een onderzeeboot kwam een tiende deel van dat aantal om het leven.

Dadelijk nadat de U9 de drie kruisers naar de zeebodem had zien gaan ging zij er in allerijl vandoor. Terug naar de thuishaven, waar de bemanning een heldenonthaal kreeg.

Van de gezamenlijke kruiserbemanningen van 2296 man brachten 837 het er levend vanaf. Een flink aantal van hen werd opgevist door de bemanningen van twee kleine Nederlandse koopvaardijschepen, de SS Flora (287 drenkelingen gered) en de SS Titan (114). De meeste geredden werden meegenomen en aan land gezet in het neutrale Nederland, waar zij allerhartelijkst werden ontvangen en persoonlijke en medische verzorging genoten. Na heel kort in een opvangkamp voor vluchtelingen te hebben verbleven werden ze allemaal op transport terug naar Groot Brittannië gezet, dankzij een slimme vondst van een ambtenaar, die erop neerkwam dat de mannen niet als krijgsgevangenen dienden te worden behandeld nu zij in Nederland aan wal waren gekomen in civiele schepen.

In de steden en dorpen van de Medway regio in Oost Engeland, waar de overgrote meerderheid van de ongelukkige zeelui vandaan kwam, heersten diepe droefheid en ongeloof. De fiere en onoverwinnelijk geachte Britse marine had een enorme opdoffer te verduren gehad. Honderden gezinnen waren in rouw gedompeld. Zij hadden hun vaders, echtgenoten, zonen en broers verloren – onder wie een groot aantal kostwinners. Het leven van de nabestaanden zou voorgoed veranderen – en heel zwaar worden.